De drie grote filosofen uit de oudheid

450 jaar voor Christus sloeg de filosofie een andere richting in. De interesse verschoof steeds meer naar de mens en de plaats van de mens in de maatschappij. Socrates, Plato en Aristoteles worden gezien als de grootste filosofen uit de oudheid.

Plato-Socrates-Aristotle

Socrates
Socrates heeft geen eigen werk geschreven, een van zijn leerlingen heeft al zijn beweringen vastgelegd. Deze leerling was Plato. De reden dat Socrates niets heeft opgeschreven, is waarschijnlijk dat hij mensen niet wilde onderwijzen, maar door de dialoog aan te gaan mensen zelf het juist inzicht geven. Hij was er van overtuigd dat ieder mens die zijn verstand gebruikt, filosofie kan doorgronden. Door onze kennis te vergroten, verkleinen we de kans op verkeerd handelen volgens Socrates.

Plato
Plato had de opvatting dat achter de zintuiglijke werkelijkheid een eigen werkelijkheid bestond die hij de ideeënwereld noemde. Hij hield zich met name bezig met het eeuwige en onveranderlijke aan de ene kant en aan de andere kant alles wat stroomt. In de zintuiglijke wereld stroomt alles en duurt niets eeuwig. Onze eigen werkelijkheid kent juist patronen van eeuwigheid en onveranderlijkheid.

Aristoteles
Deze filosoof had kritiek op de leer van Plato. Aristoteles hield zich juist bezig met de veranderingen en natuurprocessen in plaats van met de eeuwigheid. Een mens heeft geen aangeboren ideeën volgens Aristoteles, maar die ontwikkelen door wat binnenkomt via de zintuigen. Hij legde daarnaast ook de basis voor de logica als wetenschap.