Buitenverlichting wordt vaak pas bedacht als de tuin al af is, en dat is zonde. Licht bepaalt hoe je buitenruimte er na zonsondergang uitziet, en het verschil tussen een tuin die ‘s avonds verdwijnt en een tuin waar je nog wilt zitten zit meestal in een paar goed geplaatste lampen.
Begin bij de basis: waar loop je?
Voordat je aan sfeer denkt, is er functie. Een pad, een trapje of de weg naar de schuur wil je kunnen zien. Lage armaturen langs de rand van een pad werken hier beter dan één felle schijnwerper, omdat ze verlichten zonder te verblinden. Denk daarbij ook aan de voet van je lampen: een stevige lampenvoet voorkomt dat een staande lamp bij de eerste najaarsstorm omvalt.
Sfeer maak je met hoogte
Zodra de functionele verlichting staat, kun je gaan spelen. Licht dat van bovenaf komt, bijvoorbeeld uit een lamp aan een overkapping of tussen de takken van een boom, geeft een veel natuurlijker beeld dan licht dat recht vanaf de grond omhoog schijnt. Hang niet alles op dezelfde hoogte; juist het verschil maakt het interessant.
Van buiten naar binnen
Wat buiten werkt, werkt binnen ook. Een schemerlamp staand in de hoek van de woonkamer doet in feite hetzelfde als een lamp in de tuin: hij vult een donkere hoek zonder de hele ruimte te overspoelen met licht. Kijk vanuit je woonkamer naar buiten en stem de twee op elkaar af, dan blijft de tuin ‘s avonds onderdeel van je huis in plaats van een zwart vlak achter het raam.
Let op de weersbestendigheid
Voor alles wat buiten hangt geldt: controleer de IP-waarde. Een armatuur onder een overkapping heeft minder bescherming nodig dan een lamp die vol in de regen staat, en een lamp die daar niet op gebouwd is gaat hooguit één seizoen mee.



